Op de gang lopen we verder.

Ik geef Mathijs wat kleine instructies

over jezelf voorstellen aan een ouder iemand,

afscheid nemen met twee woorden,

U zeggen en de handen uit de zakken in plaats van erin.

Hij pikt dit prima op,

fijn voor deze mensen dat hij zo voorkomend wil zijn.

 

              “Ik heb dat ook moeten leren hoor…” zeg ik hem,                    om duidelijk te maken dat het zo erg niet is  

dat hij dit nog niet deed.

 

Aan het eind van de gang,

aan de andere kant staat een deur open.

Ik zie een mevrouw in een rolstoel.

Ze zit voorovergebogen over een boek.

Ik klop op de deur.

“Dag mevrouw, mag ik even binnen komen?”

“Ja natuurlijk!" Klinkt het van achter de tafel.

Ik loop naar het vrouwtje toe. Ze kijkt me aan.

“ Ik stoor toch niet? Ik zie dat U zit te lezen…”

Ze klapt haar boek dicht,

zo te zien is ze blij met deze onverwachte aandacht.

“Nee, hoor.”

 

Mathijs komt ook naar binnen.

Hij geeft haar een hand.  

“Dag, ik ben Mathijs.”zegt hij.

  

“Hoe heet je? Martijn?”

“Nee, Mathijs.”

“Dag Mathijs.”

 

“Mogen Mathijs en ik samen iets voor U spelen op de gitaar?”

“Ja, dat vind ik leuk.”

De muziekstandaard met het boek wordt weer neergezet.

We zetten twee stoelen klaar, zodat de vrouw ons goed kan zien.

En daar gaan we dan.

Mooie gitaarmuziekjes vullen haar kamer.

De vrouw is blij verrast.

“Hoe oud ben je Mathijs?”vraagt ze.

“Ik ben 11.”

 

En dan terwijl we de volgende muziekjes spelen,

horen we haar steeds als we klaar zijn zeggen:

“Hij is pas 11, en als hij dat nu al kan….”

Ze bewondert zijn kunnen enorm.

We spelen samen,

maar haar blik is voortdurend op Mathijs gericht.

Nadat we alle liedjes een paar keer hebben gespeeld,

trakteer ik haar op een kleurig paaseitje.

Ze geniet er zichtbaar van.

“Eigenlijk mag ik geen suiker, maar voor deze keer….”

 

Ik wijs haar op de foto van haarzelf die onderop een kastje staat.

“Eigenlijk moet U die bovenop de kast zetten.

Hij is toch veel te mooi…U stopt Uzelf gewoon in een hoekje weg.”

En dan vertelt ze over de leuke middag.

Dat ze met andere bewoners de bloemen mocht schikken.

Ze kijkt daar met veel plezier op terug.

 

Haar accent klinkt als niet van deze streek.

Ik vraag haar: “Waar bent U geboren? Komt u van hier?”

“Nee ik kom niet van hier, ik ben al meerdere keren verhuisd.

Ik kom van Zeeland.”

 

“Zeeland? Daar hebben ze van die bolussen.”

Aldus Mathijs...

Hij is duidelijk bij het gesprek betrokken.

Ik praat met de vrouw, Mathijs is één en al oor.

“Bolussen? Zeg ik verbaasd.”

“Ja. Zeeuwse bolussen.” zegt Mathijs.

De vrouw knikt. “Ja, die komen uit Zeeland.”

“Ken je Zeeland?” vraag ik aan Mathijs.

“Ja, ik ga daar wel eens op vakantie.”

 

 

“Maar wat kan ik hem nou geven?” zegt de vrouw.

“Niets hoor, U heeft toch geluisterd?

Dat is echt genoeg hoor. Het was toch gezellig?

Ook voor ons was het heel gezellig, dat is gewoon genoeg.”

 

Nu richt ze zich tot Mathijs.

“Kijk eens daar op het kastje. Naast de senseo.

Daar staat een grote glazen pot.

Neem er maar een paar.”

De vrouw wijst op een pot

tot aan de rand toe gevuld met spekkies.

Neem maar wat je wilt hoor.

Mathijs haalt er één spekkie uit.

“Je hoeft hem niet gelijk op te eten,

je mag hem ook bewaren.”

zeg ik tegen Mathijs.

Hij kijkt mij vrolijk aan

en steekt het spekkie direct in z’n mond.

Hij geniet er zichtbaar van.

Dan geeft Mathijs de vrouw net als ik een hand en zegt:

“Dag mevrouw, misschien wel tot een volgende keer.”